Thorbecke  |  Waarderingskamer  |  Vastgoedcert  |  VNG   
  TAXATIES   |  WERKGEBIED  |  RMT  |  EPA  |  WOZ  

WET WAARDERING ONROERENDE ZAKEN

Wat is de Wet WOZ?
Vanaf 1995 geldt een landelijk systeem voor de waardering van onroerende zaken, de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voorbeelden van onroerende zaken zijn woningen en bedrijfspanden. Op grond van de Wet WOZ worden alle onroerende zaken in Nederland jaarlijks gewaardeerd. Sinds de invoering van de Wet WOZ gaan gemeenten, waterschappen en het Rijk uit van dezelfde waarde van een onroerende zaak, de WOZ-waarde. De WOZ-waarde wordt gebruikt voor de belastingheffing door het Rijk (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting), de waterschappen (waterschapsomslag gebouwd) en de gemeenten (onroerende-zaakbelastingen). Voordien hadden de verschillende belastingheffende instanties allemaal hun eigen waardebegrip. Dat was onpraktisch en voor de belastingbetalers vaak onbegrijpelijk. De Wet WOZ heeft hieraan een einde gemaakt.


Waarvoor gebruikt de gemeente de WOZ-waarde?
De gemeente gebruikt de WOZ-waarde voor de heffing van de onroerende-zaakbelastingen (OZB). Sommige gemeenten gebruiken de WOZ-waarde daarnaast ook voor de heffing van rioolrechten. De OZB wordt geheven van de eigenaren van woningen en niet-woningen en van de gebruikers van niet-woningen. Gebruikers van woningen krijgen sinds 2006 geen aanslag OZB meer. Het bedrag van de aanslag OZB wordt berekend door per volle eenheid van € 2.500 van de WOZ-waarde een tarief toe te passen. Dit tarief kan per gemeente verschillen. De OZB wordt van alle onroerende zaken geheven, behoudens enkele vrijstellingen. Er zijn drie soorten vrijstellingen: Vrijstellingen voor de Wet WOZ De objecten die in het kader van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ zijn vrijgesteld. Het gaat hier bijvoorbeeld om openbare wegen, kerken en bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond (landbouwgrond). Voor deze objecten of delen van objecten hoeft geen WOZ-waarde te worden bepaald. Verplichte vrijstellingen voor de OZB De objecten die volgens de Gemeentewet worden vrijgesteld. Van deze objecten, bijvoorbeeld kassen, moet wel een waarde worden bepaald als deze van belang is voor de afnemers van de taxatiegegevens (het waterschap en de Rijksbelastingdienst). De afnemers baseren hun heffing namelijk op andere wetten dan de Gemeentewet. Vanaf 2007 zijn woondelen van niet-woningen belastingvrij voor de OZB gebruikersbelasting niet-woningen. De vermindering van de aanslag OZB wordt door de gemeente al in het aanslagbedrag van de OZB gebruikersbelastingen niet-woningen verdisconteerd. Vrijwillige vrijstellingen voor de OZB De objecten die in de gemeentelijke belastingverordening worden vrijgesteld. Deze objecten moeten altijd getaxeerd worden, omdat de waarde van belang is bij de berekening van de zogenaamde belastingcapaciteit van de gemeente.


Waarvoor gebruikt de Rijksbelastingdienst de WOZ-waarde?
De Rijksbelastingdienst beschikt over alle WOZ-waarden van de gemeenten. De Rijksbelastingdienst gebruikt de WOZ-waarde voor: de inkomstenbelasting voor het eigenwoningforfait, de vermogensrendementsheffing voor woningen die "niet tot hoofdverblijf dienen" (=tweede woningen) en de afschrijving van bedrijfsgebouwen. de vennootschapsbelasting voor de afschrijving van bedrijfsgebouwen andere heffingen . andere heffingen De Rijksbelastingdienst kan de WOZ-gegevens ook gebruiken voor andere belastingen, zoals de regulerende energiebelasting, maar is dit niet verplicht. In een aantal gevallen komt het object waarvoor de WOZ-waarde is vastgesteld niet overeen met het object dat voor de Rijksbelastingdienst van belang is. Dit komt met name bij het eigenwoningforfait voor bij boerderijen, woon-/winkelpanden en woningen met praktijk of kantoor aan huis. In die gevallen is voor de rijksheffingen alleen de waarde van het woongedeelte van belang. De waarde van het woongedeelte kan niet (rechtstreeks) aan de WOZ-beschikking worden ontleend, maar kan soms wel uit de WOZ-waarde of het bijbehorende taxatieverslag worden afgeleid.


Waarvoor gebruikt het waterschap de WOZ-waarde?
Het waterschap gebruikt de WOZ-waarde voor de heffing van de omslag gebouwd en de omslag ongebouwd. Omslag gebouwd: geheven van eigenaren van gebouwde onroerende zaken, berekend over de WOZ-waarde. Op een enkele uitzondering na (bij kassen) is dat dezelfde onroerende zaak als voor de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen. Omslag ongebouwd: geheven van eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, berekend naar de oppervlakte van een onroerende zaak. Hiervoor geldt dus niet de WOZ-waarde. De meeste onroerende zaken die in de waterschapsomslag ongebouwd worden betrokken zijn vrijgesteld voor de Wet WOZ (bijvoorbeeld landbouwgrond en natuurterreinen), zodat hiervoor geen WOZ-waarde wordt bepaald.


Ik heb van de gemeente een nieuwe WOZ-beschikking gekregen. Wat is dat?
De WOZ-beschikking (WOZ staat voor waardering onroerende zaken) is een officieel document van de gemeente, waarop de waarde van uw onroerende zaak (bijvoorbeeld uw woning of bedrijfspand) is aangegeven: de WOZ-waarde. De WOZ-waarde geldt voor een periode van één jaar. De vorige keer werd de waarde nog voor twee jaar vastgesteld. De WOZ-waarde wordt door de gemeente gebruikt voor de onroerende-zaakbelastingen (OZB), door de Rijksbelastingdienst voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting en door het waterschap voor de waterschapsomslag gebouwd. De Wet WOZ zorgt ervoor dat bij de belangrijkste belastingen over onroerende zaken wordt uitgegaan van dezelfde waarde. Sinds 2005 staat de WOZ-beschikking met de waarde van uw onroerende zaak op hetzelfde biljet als uw aanslag(en) OZB (en mogelijk andere gemeentelijke heffingen).


Hoe wordt de WOZ-waarde bepaald?
In de Wet WOZ staat hoe de waarde van onroerende zaken wordt vastgesteld. De gemeente verzameld vastgoedgegevens zoals: - bouw- of renovatiejaar, - indelingsgegevens en - vraag- en verkoopprijsgegevens. In 2008 wordt de waarde van alle onroerende zaken in Nederland opnieuw vastgesteld. Bij het bepalen van de waarde wordt uitgegaan van het bedrag dat de onroerende zaak zou opbrengen op een bepaalde datum, de waardepeildatum. Voor 2008 is dat 1 januari 2007. De waarde wordt bepaald alsof de onroerende zaak op 1 januari 2007 leeg verkocht is en onmiddellijk in gebruik kan worden genomen. Dit is de vrije verkoopwaarde van het de onroerende zaak. Met huur, verhuur, hypotheken en andere zakelijke rechten (zoals erfpacht) wordt bij de WOZ-waardering geen rekening gehouden. Per wijk zijn karakteristieke panden uitgekozen en getaxeerd. De waarde van de overige panden van hetzelfde type wordt daarvan afgeleid. Het bepalen van de waarde van woningen gebeurt veelal op geautomatiseerde, modelmatige wijze. De uitkomsten worden gecontroleerd. Een deel van deze controle zal met de bij de gemeente bekende gegevens plaatsvinden. Verder is er een aantal objecten ter plaatse gecontroleerd. Hoe dat bij uw woning is gegaan kunt u bij uw gemeente navragen.


Hoe lang geldt de waarde op de WOZ-beschikking?
De WOZ-waarde op de WOZ-beschikking geldt voor één kalenderjaar. Voor het kalenderjaar 2008 ontvangt u een nieuwe WOZ-beschikking waarin de waarde naar de waardepeildatum 1 januari 2007 is bepaald. Vanaf 2007 wordt de waarde jaarlijks vastgesteld. Dat gebeurt naar een waardepeildatum die één jaar daarvoor ligt. De WOZ-waarde wordt voor 2009 dus vastgesteld naar het waardeniveau op 1 januari 2008.


Vanaf welke datum geldt de waarde op de nieuwe WOZ-beschikking?
De nieuwe WOZ-beschikking die u in het voorjaar van 2008 ontvangt, geldt vanaf 1 januari 2008 voor het kalenderjaar 2008. De aanslag voor de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen (OZB) wordt gecombineerd met de WOZ-beschikking. De Waterschapsomslag gebouwd en het Eigenwoningforfait worden ook gebaseerd op de WOZ-waarde. De aanslag van het waterschap is gebaseerd op de waarde die u op de gecombineerde WOZ-beschikking/aanslag OZB hebt ontvangen. In uw belastingaangifte Inkomstenbelasting 2007 geeft u de WOZ-waarde op van vorig jaar. In de belastingaangifte voor het jaar 2008 geeft u de WOZ-waarde van de beschikking 2008 aan.


Wat is een taxatieverslag?
Doel: inzicht geven in de opbouw van de taxatie. Iedereen die een WOZ-beschikking heeft ontvangen, kan de gemeente daarom verzoeken om een taxatieverslag. Op het taxatieverslag staan: - het adres van het pand, - de WOZ-waarde van het pand, - de kadastrale gegevens, - wat voor soort woning/bedrijf uw pand is, - het bouwjaar en - de grootte van het pand (inhoud en oppervlakte). - bijzondere kenmerken van belang voor de waardebepaling. - een onderbouwing van de marktwaarde van een pand. De WOZ-waarde van woningen wordt onderbouwd door de vermelding van verkoopprijzen en WOZ-waarden van een aantal vergelijkbare woningen. De vergelijkbare woningen hoeven niet identiek te zijn aan uw woning. Bij niet-woningen (bedrijven, kantoren, kerken, scholen, etc) wordt de WOZ-waarde onderbouwd door het weergeven van de opbouw van de taxatie (huurwaarde en kapitalisatiefactor of herbouwwaarde en correctiefactoren).


Wie ontvangt een taxatieverslag?
Iedereen die een WOZ-beschikking krijgt, kan aan de gemeente verzoeken om een taxatieverslag. In veel gemeenten kan men het taxatieverslag op de website van de gemeente bekijken. Het taxatieverslag van uw pand wordt niet aan derden gegeven. Zowel de eigenaar van een pand als de gebruiker van een niet-woning kan een taxatieverslag aanvragen. Een belanghebbende kan wel de WOZ-waarde van een bepaald pand (bijvoorbeeld dat van u) opvragen als hij daarbij een gerechtvaardigd belang te hebben. Het gerechtvaardigd belang van de belanghebbende is de door hem te betalen belasting in verband met de WOZ-waarde van het pand. De huurder van een woning kan geen waarde van een ander pand opvragen, omdat hij geen belasting betaalt. De eigenaar wel. Die heeft dus recht op de WOZ-waarde van een aantal andere panden (totaal 9). De eigenaar en huurder van een niet-woning betalen ook belasting in verband met de WOZ-waarde van hun pand.


Ik ben het niet eens met de waarde van mijn huis. Wat moet moet ik doen?
U kunt binnen zes weken na dagtekening van de WOZ-beschikking bij de gemeente bezwaar maken. U moet uw bezwaarschrift opsturen naar of inleveren bij de gemeente (heffingsambtenaar). U maakt dan automatisch bezwaar tegen de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB). Uw bezwaarschrift moet u motiveren, dat wil zeggen dat u moet opschrijven waarom u het niet eens bent met de WOZ-waarde. De gemeente kan u op uw verzoek een taxatieverslag geven. Daarin staan meestal ook de verkoopcijfers van andere, vergelijkbare woningen. Daarmee kunt u nagaan of de waarde van uw huis juist is getaxeerd. U kunt deze gegevens gebruiken voor uw bezwaarschrift. De gemeente doet daarna een uitspraak op uw bezwaarschrift. Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak beroep aantekenen bij de rechtbank, als u het niet eens bent met de uitspraak. Als de rechtbank het beroep afwijst kunt u hoger beroep bij het gerechtshof instellen. Bezwaarmarge Taxeren is schatten. Daarom geldt er een marge waarbinnen de waarde van een pand goed is bepaald. Is de waarde op de WOZ-beschikking iets te hoog, maar blijft het verschil binnen de marge dan wordt een bezwaarschrift afgewezen (ongegrond verklaard). De marge is afhankelijk van de waarde van de woning. Voorbeeld bezwaarmarge Stel de WOZ-waarde van een woning bedraagt € 210.000. Bij de behandeling van het bezwaarschrift blijkt dat de WOZ-waarde verlaagd zou moeten worden naar € 205.000. De gemeente moet het bezwaarschrift echter afwijzen (ongegrond verklaren), omdat de waardeverlaging van € 5.000 binnen de ‘bezwaarmarge’ blijft. In het voorbeeld is die marge namelijk € 10.000 (4% van € 210.000 = € 8.400; de minimummarge is echter € 10.000). Dat betekent dat de waarde meer dan € 10.000 lager moet zijn om het bezwaarschrift gegrond te verklaren.


Wat moet ik doen als ik verhuis?
Wanneer u verhuist, kunt u bij uw gemeente voor uw nieuwe huis de WOZ-beschikking opvragen. Deze beschikking geldt vanaf het moment dat u eigenaar of gebruiker (dit laatste alleen bij niet-woningen) van een pand bent geworden en heeft dezelfde waarde als de beschikking die aan de vorige eigenaar was gezonden. Als u in de loop van een jaar eigenaar wordt van een nieuwe woning, dan ontvangt u voor die woning geen aanslag OZB. De aanslag OZB krijgt u voor het jaar dat daarop volgt. Voor meer informatie over het aanvragen van een nieuwe beschikking kunt u contact opnemen met uw gemeente.


Zijn wijzigingen aan een pand (verbouw, aanbouw, sloop) van invloed op de WOZ-waarde?
De waarde wordt bepaald naar het waardepeil (waardeniveau) van een bepaalde datum. Dat gebeurt vanaf 2007 jaarlijks. Voor 2008 wordt de waarde bepaald naar de waardeniveau van 1 januari 2007. Voor 2009 wordt de waarde bepaald naar de waardeniveau van 1 januari 2008. Na een verbouwing, aanbouw, sloop, of andere wijziging beoordeelt de gemeente of de waarde is gestegen of gedaald. Als de wijziging plaatsvindt in 2008 dan heeft dat geen gevolgen voor de WOZ-beschikking voor dat jaar. Met de waardeverandering wordt in de WOZ-beschikking voor het volgende jaar rekening gehouden. Met wijzigingen tussen de waardepeildatum (1 januari 2007) en het begin van het belastingjaar (1 januari 2008) wordt voor de WOZ-waarde van 2008 rekening gehouden.


Wat betekent de nieuwe WOZ-waarde voor de onroerende-zaakbelastingen?
Gemeenten stellen de onroerende-zaakbelastingen (OZB) vast door per volle eenheid van € 2.500 van de WOZ-waarde van de onroerende zaak een tarief toe te passen. Dit geldt zowel voor het eigenaarsdeel (voor de eigenaar van de onroerende zaak) als voor het gebruikersdeel (voor de gebruiker van niet-woningen, dit kan de huurder zijn maar ook de eigenaar/gebruiker). Waardestijging: verlaging tarief De meeste huizen zijn de laatste jaren in waarde gestegen. Wanneer het OZB-tarief niet wordt aangepast zou u dus meer belasting gaan betalen. De meeste gemeenten verlagen hun tarieven echter met een deel van de waardestijging. Dat neemt niet weg dat u waarschijnlijk een ander bedrag aan OZB gaat betalen - hoger of lager - omdat het tarief op de gemiddelde waardestijging wordt verlaagd. Gemeenten stellen zelf het OZB-tarief vast en zijn hier zelf verantwoordelijk voor. Tegen het tarief kan geen bezwaar worden aangetekend.


Wat betekent de nieuwe WOZ-waarde van uw eigen woning voor de inkomstenbelasting?
Een eigen woning die als hoofdverblijf wordt gebruikt valt in box I van de inkomstenbelasting. Als u een eigen woning heeft, moet u een bepaald bedrag als inkomen op uw aangifte inkomstenbelasting aangeven, het zogenoemde eigenwoningforfait (voorheen huurwaardeforfait). Het eigenwoningforfait is een bedrag dat afhankelijk is van de waarde van de woning. Voor het bepalen van de waarde van de eigen woning gaat u uit van de WOZ-waarde. Het percentage van het eigenwoningforfait voor 2008 is even hoog als voor 2007: eigenwoningforfait 2008.


Hoeveel bedraagt het eigenwoningforfaitpercentage van de WOZ-waarde van de eigen woning?
Voor 2007 en 2008 zijn de forfaitpercentages als volgt: WOZ-waarde: 0-12.500 forfait: nihil 12.500-25.000 forfait: 0,20% van de waarde 25.000-50.000 forfait: 0,30% van de waarde 50.000-75.000 forfait: 0,40% van de waarde 75.000-hoger forfait: 0,55% van de waarde Het berekende forfait kan voor het jaar 2008 niet hoger zijn dan € 9.300 en voor 2007 niet hoger zijn dan € 9.150. Voor 2005 en 2006 gelden de volgende percentages. WOZ-waarde: 0-12.500 forfait: nihil 12.500-25.000 forfait: 0,20% van de waarde 25.000-50.000 forfait: 0,35% van de waarde 50.000-75.000 forfait: 0,45% van de waarde 75.000-hoger forfait: 0,60% van de waarde Voor het jaar 2006 geldt een maximumbedrag van € 8.900. Voor 2005 geldt een maximumbedrag van € 8.750.


Waarvoor geldt de WOZ-waarde van mijn tweede woning?
Als u eigenaar bent van een tweede woning of van ander onroerend goed, geldt de WOZ-waarde op gelijke wijze voor de onroerende-zaakbelasting (OZB) en de waterschapsomslag gebouwd, als bij de eerste woning. Voor de inkomstenbelasting geldt de tweede woning als bron van inkomen uit sparen en beleggen. U krijgt dan te maken met de vermogensrendementsheffing van box III. Dat betekent dat niet de huur of het eigenwoningforfait is belast, maar het forfaitaire rendement. Dat is 4% van de WOZ-waarde, afgezien van het heffingsvrije vermogen. Als uw tweede woning u in belangrijke mate ter beschikking staat (u gebruikt het bijvoorbeeld als vakantiewoning voor uzelf en soms verhuurt u de woning), waardeert u deze tweede woning naar de WOZ-waarde. Als een pand u anderszins ter beschikking staat (u verhuurt de woning meestal), waardeert u het pand naar de waarde in het economische verkeer.


Kan ik de WOZ-waarde ook voor iets anders gebruiken?
Ja, u kunt de WOZ-waarde onder andere voor de aanvraag of verlaging van een hypotheek gebruiken. Een aantal banken accepteert dat. Daarnaast accepteren een aantal verzekeringsmaatschappijen de WOZ-waarde voor premieberekening van de opstalverzekering en inboedelverzekering.


---------------------------------------------------------------------------------------

(Tekst geldend op: 01-01-2007)

Wet van 15 december 1994, houdende algemene regels inzake de waardering van onroerende zaken

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen met betrekking tot een uniforme bepaling van de waarde van onroerende zaken en de wijze van vaststelling daarvan ten behoeve van de heffing van belastingen, alsmede om het toezicht op de waardebepaling en waardevaststelling op te dragen aan een daartoe in te stellen Waarderingskamer;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I.  Algemene bepalingen
Artikel 1
1.   Deze wet geldt bij de bepaling en de vaststelling van de waarde van in Nederland gelegen onroerende zaken ten behoeve van de heffing van belastingen door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen.
2.   Het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering van deze wet, tenzij de gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, hiermee is belast.
3.   Bij wet wordt geregeld in hoeverre de op de voet van de wet vastgestelde waarde van toepassing is voor de in het eerste lid bedoelde belastingen.
Artikel 2
In deze wet wordt verstaan onder:
a.   de wet: de Wet waardering onroerende zaken;
b.   Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
c. afnemers: overheden die gebruik maken van de ingevolge de wet vastgestelde waarden ten behoeve van de heffing van belastingen.

Artikel 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld betreffende de verrekening van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de wet.
Hoofdstuk II.  De waarderingskamer
Artikel 4
1.   Er is een Waarderingskamer. De Waarderingskamer bezit rechtspersoonlijkheid.
2.   De Waarderingskamer houdt toezicht op de waardebepaling en de waardevaststelling van onroerende zaken en op de overige in de wet geregelde onderwerpen. De colleges van burgemeester en wethouders verschaffen de Waarderingskamer desgevraagd tijdig de voor de uitoefening van haar taak noodzakelijke gegevens.
3.   De Waarderingskamer dient desgevraagd of eigener beweging Onze Minister van advies over zaken die verband houden met de inhoud en de toepassing van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald.
4.   De Waarderingskamer geeft voorts uitvoering aan hetgeen haar overigens bij of krachtens de wet is opgedragen.
Artikel 5
1.   De Waarderingskamer bestaat uit elf leden, waaronder de voorzitter, die worden benoemd door Onze Minister.
2.   Van de andere leden dan de voorzitter worden vier leden op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, twee leden uit de rijksbelastingdienst en twee leden op voordracht van de Unie van Waterschappen benoemd.
3.   De Waarderingskamer wijst uit haar midden een plaatsvervangende voorzitter aan.
4.   De leden van de Waarderingskamer worden benoemd voor ten hoogste vier jaren. Na afloop van deze termijn kunnen zij worden herbenoemd.
5.   Degene die tot lid is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het ogenblik waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden. Hij kan worden herbenoemd.
6.   De leden kunnen te allen tijde op eigen verzoek door Onze Minister worden ontslagen. Onze Minister kan hen, gehoord de Waarderingskamer, schorsen of ontslaan.
Artikel 6
1.   De Waarderingskamer heeft drie adviserende leden die worden benoemd door Onze Minister op voordracht van onderscheidenlijk Onze Minister, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het InterProvinciaal Overleg.
2.   De adviserende leden kunnen te allen tijde op eigen verzoek door Onze Minister worden ontslagen. Onze Minister kan hen op verzoek van degene die de voordracht heeft gedaan, schorsen of ontslaan.
Artikel 7
1.   De Waarderingskamer kan ter uitvoering van haar taak commissies instellen, waarin ook personen van buiten de Waarderingskamer zitting kunnen hebben.
2.   De Waarderingskamer en haar commissies kunnen zich doen bijstaan door deskundigen.
Artikel 8
1.   De Waarderingskamer heeft een secretariaat onder leiding van een secretaris, die door Onze Minister, op voordracht van de Waarderingskamer, wordt benoemd, geschorst en ontslagen.
2.   Benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van het secretariaat geschieden door de Waarderingskamer.
3.   Het secretariaat staat de Waarderingskamer in haar werkzaamheden bij.
4.   De secretaris en het personeel van het secretariaat zijn niet tevens lid of adviserend lid van de Waarderingskamer.
5.   De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de Waarderingskamer.
Artikel 9
1.   Het personeel van het secretariaat van de Waarderingskamer, de secretaris daaronder begrepen, is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet.
2.   De Waarderingskamer stelt bij reglement de regeling van de rechtstoestand van het personeel vast.
3.   Onverminderd hetgeen reeds bij of krachtens de Ambtenarenwet is geregeld, geeft het reglement bedoeld in het tweede lid van dit artikel in ieder geval voorschriften betreffende de volgende onderwerpen:
a. aanstelling;
b. schorsing;
c.   ontslag;
d.   het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
e. bezoldiging;
f. wachtgeld;
g. diensttijden;
h.   verlof en vakantie;
i. voorzieningen in verband met ziekte;
j. bescherming bij arbeid;
k.   woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m.  overige rechten en verplichtingen van het personeel;
n. disciplinaire straffen;
o.   de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand en de bezoldiging van het personeel van het secretariaat;
p.   een geschillenregeling met betrekking tot de onder l  en  o  genoemde onderwerpen.

4.   Artikel 126 van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
De Waarderingskamer stelt regels vast met betrekking tot haar werkwijze, tot die van het secretariaat, alsmede tot die van haar commissies. Tevens stelt de Waarderingskamer regels op met betrekking tot de wijze waarop overleg wordt gevoerd met de colleges van burgemeester en wethouders en de afnemers of met hun vertegenwoordigers omtrent aangelegenheden ter zake waarvan naar haar oordeel overleg gewenst is, alsmede omtrent aangelegenheden ter zake waarvan de deelnemers aan het overleg de Waarderingskamer te kennen hebben gegeven overleg te willen voeren.
Artikel 11
1.   Geschillen met betrekking tot de uitvoering van de wet tussen afnemers en colleges van burgemeester en wethouders kunnen door de betrokken partijen worden voorgelegd aan de Waarderingskamer.
2.   Het verzoek tot het in behandeling nemen van een geschil wordt ingediend door de bij het geschil betrokken partijen.
3.   De Waarderingskamer beslist binnen dertien weken nadat het geschil is voorgelegd. De Waarderingskamer kan deze termijn, met redenen omkleed, eenmaal met dertien weken verlengen. Zij kan voorts de termijn verder verlengen met instemming van de betrokken partijen.
4.   De Waarderingskamer is bevoegd de kosten die door haar zijn gemaakt in verband met het voorgelegde geschil in rekening te brengen aan de partijen. Zij kan beslissen dat de kosten die door partijen zijn gemaakt, worden gedragen door de in het ongelijk gestelde partij.
Artikel 12
De Waarderingskamer stelt jaarlijks voor 1 december een begroting vast voor het daarop volgende kalenderjaar.
Artikel 13
De Waarderingskamer brengt uiterlijk op 1 mei aan Onze Minister verslag uit over haar werkzaamheden en haar financieel beleid in het voorafgaande kalenderjaar, voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid daarvan van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het financieel beleid en beheer behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Het verslag wordt door de zorg van Onze Minister openbaar gemaakt.
Artikel 14
Onze Minister kan de Waarderingskamer algemene aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taak.
Artikel 15
1.   Onze Minister kan, de Waarderingskamer gehoord, aan het college van burgemeester en wethouders van een gemeente een aanwijzing geven omtrent de uitvoering van de wet.
2.   Onze Minister verbindt aan de aanwijzing een termijn.
3.   De Waarderingskamer is bevoegd tot het doen uitvoeren van de aanwijzing op kosten van de gemeente indien het college van burgemeester en wethouders de aanwijzing niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn heeft opgevolgd.
Hoofdstuk III.  De waardebepaling
Artikel 16
Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
a.   een gebouwd eigendom;
b.   een ongebouwd eigendom;
c.   een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.   een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.   een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd;
f.    het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel.

Artikel 17
1.   Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend.
2.   De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3.   In afwijking in zoverre van het tweede lid wordt de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, en met uitzondering van onroerende zaken die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
a.   de aard en de bestemming van de zaak;
b.   de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.

4.   In afwijking in zoverre van het tweede lid wordt de waarde van een gebouwd eigendom in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het derde lid. Onder een gebouwd eigendom in aanbouw wordt verstaan een onroerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een bouwvergunning in de zin van de Woningwet is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig zijn beoogde bestemming.
5.   In afwijking in zoverre van het tweede lid wordt de waarde van een gebouwd eigendom dat tot woning dient en deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Gebouwde eigendommen die dienstbaar zijn aan de woning worden geacht deel uit te maken van die woning.
6.   Met betrekking tot een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel f , wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele onroerende zaak.
Artikel 18
1.   De waarde van een onroerende zaak wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.
2.   De waardepeildatum ligt twee jaren voor het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld.
3.   Indien een onroerende zaak in de twee jaren voorafgaande aan het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld:
a.   opgaat in een of meer andere onroerende zaken,
b.   wijzigt als gevolg van bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, dan wel van bestemming verandert, of
c.   een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de onroerende zaak geldende, bijzondere omstandigheid,

     wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld.
4.   Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ingevolge welke bij de waardebepaling buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan, indien die waarde geen onderdeel uitmaakt van de grondslag van de door de afnemers geheven belastingen als bedoeld in artikel 1, derde lid.

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 20
1.   De in artikel 1, tweede lid, bedoelde ambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen, bepaalt de waarde van die onroerende zaak.
2.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de onderbouwing en de uitvoering van de waardebepaling.
3.   De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens het tweede lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd en aan de Kamers de gelegenheid is geboden om binnen zes weken na de dag waarop het ontwerp is overgelegd, hun oordeel aan Onze Minister kenbaar te maken.
Artikel 21
De Waarderingskamer kan het college van burgemeester en wethouders een aanbeveling doen omtrent de uitvoering van de wet. Zij gaat daartoe niet over dan na het college in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
Hoofdstuk IV.  De waardevaststelling
Artikel 22
1.   De in artikel 1, tweede lid, bedoelde ambtenaar van de gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen, stelt de waarde van de onroerende zaak vast bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
2.   De bij de beschikking vastgestelde waarde geldt voor een kalenderjaar.
Artikel 23
1.   De beschikking bevat in ieder geval:
a.   de naam, het adres en de woon- of vestigingsplaats van degene te wiens aanzien de beschikking wordt genomen;
b.   een aanduiding van de onroerende zaak;
c.   de aan de onroerende zaak toegekende waarde;
d.   de waardepeildatum;
e.   het kalenderjaar waarvoor de beschikking geldt.

2.   Het niet naleven van de voorschriften van het eerste lid brengt geen nietigheid van de beschikking mee.
Artikel 24
1.   De beschikking wordt genomen binnen acht weken na het begin van het kalenderjaar waarvoor zij geldt.
2.   Het niet naleven van het voorschrift van het eerste lid brengt geen nietigheid van de beschikking mee.
3.   De bekendmaking van de beschikking geschiedt terstond door toezending aan:
a.   degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;
b.   degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

     Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van de beschikking mededeling gedaan aan de afnemers.
4.   Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, kan, indien er met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht kan worden aangewezen, bekendmaking plaatsvinden aan één van hen.
5.   Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt:
a.   gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;
b.   gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;
c.   het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld.

6.   Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, kan, met inachtneming van het vierde lid, indien er met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één gebruiker is, bekendmaking plaatsvinden aan één van hen.
7.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de in het derde lid, slotzin, bedoelde mededeling nadere regels worden gesteld.
8.   Indien aan een belanghebbende ingevolge het derde lid, aanhef en onderdelen a en b, twee of meer beschikkingen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, moeten worden gezonden, kunnen deze beschikkingen worden verenigd in één geschrift.
9.   Indien ten aanzien van degene aan wie ingevolge het derde lid de bekendmaking van de beschikking dient te geschieden een aanslag onroerende-zaakbelastingen als bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet wordt vastgesteld waarbij als heffingsmaatstaf geldt de bij de beschikking vastgestelde waarde van de onroerende zaak, geschiedt in afwijking van de vorige leden de bekendmaking van de beschikking in één geschrift met het aanslagbiljet onroerende-zaakbelastingen. Het niet naleven van de eerste volzin brengt geen nietigheid van de beschikking mee.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2007]
Artikel 26
1.   Indien in de loop van het kalenderjaar waarvoor de waarde van een onroerende zaak is vastgesteld een ander dan degene te wiens aanzien een beschikking houdende de vaststelling van de waarde van die zaak is genomen, de hoedanigheid verkrijgt van degene, bedoeld in artikel 24, derde lid, onderdeel a of onderdeel b,:
a.   neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar ten aanzien van die ander binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid;
b.   kan de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar ten aanzien van die ander eigener beweging een voor bezwaar vatbare beschikking nemen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid.

2.   De beschikking treedt, vanaf het tijdstip waarop die ander de in het eerste lid bedoelde hoedanigheid heeft verkregen, in de plaats van de in de artikelen 22, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, bedoelde beschikking.
3.   De beschikking bevat in ieder geval de in artikel 23 bedoelde gegevens, alsmede een vermelding van het in het tweede lid bedoelde tijdstip.
4.   Artikel 24, derde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26a
Bij een op de voet van dit hoofdstuk bij beschikking vastgestelde waarde van een onroerende zaak van


meer dan

maar niet meer dan

wordt die waarde geacht juist te zijn, indien de waarde, bedoeld in hoofdstuk III, daarvan niet meer dan het in kolom III vermelde percentage afwijkt of indien dat meer is, niet meer dan het in kolom IV vermelde bedrag daarvan afwijkt, een en ander mits de afwijking niet meer bedraagt dan € 100 000 van de bij die beschikking vastgestelde waarde

I

II

III

IV

€   200 000

5%

€   200 000

€   500 000

4%

€ 10 000

€   500 000

€ 1 000 000

3%

€ 20 000

€ 1 000 000

2%

€ 30 000

Artikel 27
1.   Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de waarde te laag is vastgesteld, kan de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar de in artikel 22, eerste lid, of artikel 26, eerste lid, bedoelde beschikking herzien bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren.
2.   De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de vaststelling van de in artikel 22, eerste lid, of artikel 26, eerste lid, bedoelde beschikking.
3.   Artikel 24, derde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28
1.   Ten aanzien van degene die aannemelijk maakt met betrekking tot de heffing van belasting te zijnen aanzien belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak ingevolge de artikelen 22, eerste lid, 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid, en aan wie niet op de voet van de artikelen 24, derde tot en met zesde en achtste lid, 26, vierde lid, dan wel 27, derde lid, de beschikking ter zake is toegezonden, neemt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar binnen acht weken na een daartoe gedaan verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22, eerste lid, artikel 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid.
2.   De ingevolge het eerste lid genomen beschikking treedt in de plaats van de in deartikelen 22, eerste lid, 26, eerste lid, dan wel artikel 27, eerste lid, bedoelde beschikking met ingang van het in het eerste lid bedoelde verzoek aan te geven tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip niet eerder kan zijn gelegen dan bij het begin van het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin dat verzoek is gedaan.
3.   De beschikking bevat de in artikel 23 bedoelde gegevens, alsmede een vermelding van het in het tweede lid bedoelde tijdstip.
4.   De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending aan degene te wiens aanzien zij is genomen.
Artikel 29
1.   Indien bij de uitspraak op een bezwaarschrift dan wel bij een ambtshalve door de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar genomen besluit met betrekking tot een op de voet van dit hoofdstuk genomen beschikking:
a.   die beschikking wordt vernietigd;
b.   de bij die beschikking vastgestelde waarde wordt verminderd, geschiedt de bekendmaking daarvan aan de belanghebbenden die het aangaat en de mededeling daarvan aan de afnemers met overeenkomstige toepassing van artikel 24, derde tot en met achtste lid, en met inachtneming van artikel 28; mededeling van de uitspraak op een bezwaarschrift aan de afnemers geschiedt eerst indien deze onherroepelijk vaststaat.

2.   Indien de in het eerste lid bedoelde vernietiging of vermindering plaatsvindt krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak, doet de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar daarvan mededeling aan de belanghebbenden die het aangaat en aan de afnemers met overeenkomstige toepassing van artikel 24, derde tot en met achtste lid, en met inachtneming van artikel 28.

Artikel 29a [Vervallen per 01-01-2007]
Hoofdstuk V.  Bezwaar en beroep, bevoegdheden, verplichtingen en strafbepalingen
Artikel 30
1.   Met betrekking tot de waardebepaling en de waardevaststelling ingevolge de hoofdstukken III en IV zijn de artikelen 1, vierde lid,5, eerste lid, tweede volzin, 5a, 22j tot en met 30, 47, 49 tot en met 51, 53a, 54 en 56 tot en met 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, alsmede lichamen, is voorts artikel 52, vierde en vijfde lid, en - voor zoveel het betreft het bewaren van gegevensdragers - zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
2.   Een bezwaarschrift tegen een beschikking die is bekendgemaakt en verenigd in één geschrift met een aanslag onroerende-zaakbelastingen, zoals bedoeld in artikel 24, negende lid, wordt geacht mede te zijn gericht tegen die aanslag, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
3.   Een bezwaarschrift tegen een aanslag onroerende-zaakbelastingen die is bekendgemaakt en verenigd in één geschrift met een in artikel 22, eerste lid, bedoelde beschikking, zoals bedoeld in artikel 24, negende lid, wordt geacht mede te zijn gericht tegen die beschikking, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
4.   Indien de in het tweede of derde lid bedoelde fictie toepassing vindt, treedt de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar in de plaats van de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar wat betreft de aanslag onroerende-zaakbelastingen. In afwijking in zoverre van het eerste lid in samenhang met artikel 25, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vervat deze gemeenteambtenaar de uitspraak op het bezwaar tegen de in het tweede of derde lid bedoelde beschikking en de uitspraak op het bezwaar tegen de in het tweede of derde lid bedoelde aanslag onroerende-zaakbelastingen in één geschrift.
5.   De bevoegdheden en verplichtingen die ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen gelden met betrekking tot de inspecteur, gelden daarbij voor het college van burgemeester en wethouders en de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar. De verplichtingen die krachtens artikel 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gelden jegens iedere door Onze Minister aangewezen andere ambtenaar van de rijksbelastingdienst, gelden daarbij jegens door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen. Voor zover dit redelijkerwijs van belang kan worden geacht voor de uitvoering van de wet, gelden vorenbedoelde bevoegdheden en verplichtingen ook buiten de gemeente.
6.   Voor de overeenkomstige toepassing van artikel 25a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen treedt de raad in de plaats van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer. Voor de overeenkomstige toepassing van artikel 28, eerste lid van die wet  treedt het college van burgemeester en wethouders in de plaats van Onze Minister.
7.   De colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten kunnen bepalen dat een daartoe aangewezen ambtenaar van één van die gemeenten voor de uitvoering van een of meer bepalingen van de wet wordt aangewezen als de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar van die gemeenten.
Artikel 31
1.   Met betrekking tot de toepassing van de hoofdstukken III en IV kunnen bij algemene maatregel van bestuur:
a.   regels worden gesteld waarbij de artikelen 48, 52, eerste, tweede en derde lid, en - voor zoveel het betreft de inrichting en het voeren van de administratie - zesde lid, 53, eerste en vierde lid, en 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard, dan wel
b.   regels worden gesteld die overeenkomen met die in de in onderdeel a  genoemde artikelen.

2.   De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een omschrijving van degene op wie de verplichting rust, alsmede ten behoeve waarvan de verplichting geldt. Voorts vermelden deze regels naar gelang de aard van de verplichting een omschrijving van de aard van de te verstrekken gegevens en inlichtingen, van de aard van de gegevens welke uit de administratie dienen te blijken of van het doel waarvoor het voor raadpleging beschikbaar stellen van gegevensdragers kan geschieden.
Artikel 32
De afnemers kunnen aan het college van burgemeester en wethouders de gegevens en inlichtingen verschaffen welke van belang kunnen zijn voor een juiste uitvoering van de wet.
Artikel 32a
Gemeenten zijn gehouden elkaar desgevraagd kosteloos gegevens en inlichtingen te verschaffen die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hiervoor nadere regels worden gesteld.
Artikel 33
1.   Degene die:
a.   ingevolge het bepaalde bij of krachtens de wet verplicht zijnde tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt;
b.   ingevolge het bepaalde bij of krachtens de wet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, geen, valse of vervalste gegevensdragers, voor raadpleging beschikbaar stelt, dan wel de inhoud daarvan niet, in valse of vervalste vorm, voor dit doel beschikbaar stelt;
c.   ingevolge het bepaalde bij of krachtens de wet verplicht zijnde tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de wet gestelde eisen, een zodanige administratie niet voert;
d.   ingevolge het bepaalde bij of krachtens de wet verplicht zijnde tot het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, deze gegevensdragers niet bewaart;

     een en ander, indien daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat de waarde van een onroerende zaak te laag zou kunnen worden vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2.   Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
3.   Degene die niet voldoet aan de hem bij de artikelen 49, tweede lid, en 50, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegde verplichtingen, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 34
Overtreding van de krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur gestelde bepalingen wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 35
Overtreding van de krachtens de wet bij ministeriële regeling gestelde algemene voorschriften wordt, voor zover die overtreding is aangemerkt als strafbaar feit, gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 36
De bij de wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij of krachtens de wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 37
De artikelen 73, 77, 78, 80, eerste lid, 81, 83, 85 en 88 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI.  Gegevensbeheer
Artikel 38
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor het verzamelen, opslaan en verstrekken van de gegevens betreffende de in de gemeente gelegen onroerende zaken en betreffende de waarde ervan, een en ander voor zover dit voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is.
Artikel 39
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het te registreren en te verstrekken gegevenspakket, de periodiciteit en de wijze van verstrekking.
Hoofdstuk VII.  Gegevensverstrekking
Artikel 40
1.   Op verzoek kan het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak door de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar worden verstrekt aan een ieder die kan aantonen uit hoofde van de belastingheffing te zijnen aanzien een gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan.
2.   De in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar verstrekt uitsluitend aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.
3.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vergoeding die in rekening kan worden gebracht ter zake van de verstrekking van een waardegegeven aan derden.
Hoofdstuk VIII.  Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 43 [Vervallen per 01-09-1999]
Artikel 44
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in aanvulling op de in de wet geregelde onderwerpen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van de wet en de regelingen ingevolge de wet.

Artikel 45 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 46
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.
Artikel 47
Deze wet wordt aangehaald als: Wet waardering onroerende zaken.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 15 december 1994
Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
A. G. M. van de Vondervoort

Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1994

De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

.